Weergave  

(+16 & +19) Registreer of log in:

Inleiding Daniel

Vanavond wil ik met jullie nadenken over een gedeelte van het Bijbelboek Daniël. Ik wil met name de aandacht vestigen op de levenshouding van Daniël en zijn drie vrienden en wat wij daarvan kunnen leren. Ik wil deze inleiding houden als een aansporing om onszelf nog eens goed te onderzoeken waar we mee bezig zijn. We gaan allemaal netjes naar de kerk, zelfs naar de JV. Maar wat doen we ermee? En hoe staan we in het dagelijks leven? Leven we werkelijk voor God? Hebben we werkelijk Zijn eer op het oog en zijn we bereid ons leven te verliezen als het erop aankomt? De Heere is het zo waard om gediend en gevreesd te worden!

Eerst zal ik wat algemene dingen over het Bijbelboek Daniël vertellen, daarna wil ik ingaan op het geloof van Daniël en zijn levenshouding aan de hand van een aantal thema’s.

Algemeen

Het boek Daniël is genoemd naar de profeet, die gedurende de hele ballingschap aan het hof van Babel verbleef. Zijn naam betekent “mijn Rechter is God”. Hij is al op jonge leeftijd samen met andere jonge, edele Judeeërs, met de eerste wegvoering in 605 v. Chr. weggevoerd naar Babel. De drie vrienden van Daniël waren Hananja, dit betekent “de HEERE is genadig geweest”, Misaël, dit betekent “wie is als God” en Azarja, dit betekent “de HEERE heeft geholpen”.

De Babylonische ballingschap is een sleutelperiode in de Joodse geschiedenis. De Babylonische potentaat Nebukadnezar II veroverde in 586 v.Chr. het zuidelijke rijk Judea en verwoestte daarbij Jeruzalem, inclusief de tempel. Veel belangrijke geschriften, waaronder Bijbelboeken, ontstonden tijdens deze periode van ballingschap.

Het boek Daniël sluit aan op het Bijbelboek 2 Koningen. Het boek omvat een tijdsperiode van 70 jaar, van 605-536 v. Chr.

De eerste zes hoofdstukken beschrijven de geschiedenis van Daniël aan het hof in Babel en de hoofdstukken 7 tot en met 12 bevatten de vier gezichten, waarin God aan Daniël de toekomst van de wereldrijken en van het Koninkrijk openbaart.

Het boek laat enerzijds zien hoeveel ellende het beproefde volk van God in de komende eeuwen nog te wachten staat, maar anderzijds troost dit boek het volk met de belofte van de komst van de Messias. God regeert en doet Zijn koninkrijk komen.

Daniël krijgt ook een aantal visioenen te zien. Een groot deel van de Openbaring van Johannes komt overeen met de inhoud van de visioenen van Daniël. 

Levenshouding van Daniël

Wedergeboren

Het eerste wat ik wil bespreken is dat Daniël wedergeboren was. Daniël was bekeerd. Bekering wordt in de Bijbel een “opwekking uit de dood” en een “besnijdenis van het hart” genoemd. Het is een “verandering door de vernieuwing van het gemoed” schrijft Paulus in Romeinen 12:2. Dordtse leerregels hoofdstuk III-IV paragraaf 12 spreekt van een “vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking van de doden, en levendmaking, dewelke God zonder ons in ons werkt.” Ook wordt in deze paragraaf aangegeven dat de wil, die vernieuwd is, “niet alleen van God gedreven en bewogen wordt, maar van God bewogen zijnde werkt hij ook zelf. Waarom ook terecht gezegd wordt, dat de mens, door de genade, die hij ontvangen heeft, gelooft en zich bekeert.” God woont dan in je hart. Als God je bekeert, verander je niet half, niet voor negentig procent, maar helemaal. Ook in het leven van Daniël komt dit duidelijk naar voren. Daniël wil volkomen naar Gods geboden leven. Ach denk je misschien, moest Daniël nou echt zo moeilijk doen over dat eten? Of naar deze tijd vertaald: moet men nou echt zo moeilijk doen over het kijken van films, vrijetijdsbesteding en noem maar op? Allereerst: het is geen moeilijk doen van Daniël, maar Daniël wil in volkomen gehoorzaamheid naar Gods geboden leven. Hij wil voor honderd procent leven naar Gods wil. Hierbij is natuurlijk wel van belang vanuit welk motief we bepaalde dingen wel of niet doen. Doen we het alleen uit traditie of omdat onze ouders het wel of niet willen? In Daniël 1 vers 8lezen we: “Daniël nu nam voor in zijn hart dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met de wijn zijns dranks.” Is dat geen wonder? Denk je eens in: Daniël en zijn vrienden, jongens van zo’n veertien, vijftien jaar, zeggen “nee”. Nee tegen de machtige wereldheerser Nebukadnezar en daarmee ook tegen satan de grote wereldheerser. Zeggen wij ook weleens nee? Misschien denk je: ik kan geen nee zeggen tegen de zonde. Van nature kunnen en willen wij dat ook niet. Maar hoe komt het dan dat Daniël wel “nee” zei? Er staat in vers 8 dat hij dat voornam in zijn hart. Zijn hart zegt nee omdat daarin hoe jong hij ook is, de Heere woont met Zijn Geest. Wat komt hier in Daniëls leven Gods werk duidelijk openbaar. Daniël zegt geen nee uit gewoonte of traditie, maar Daniël heeft de Heere lief en wil daarom naar Zijn geboden leven. Daar komt het op aan. Ook in ons leven. Als we alleen uit gewoonte of traditie bepaalde dingen niet doen dan is dat niet genoeg. Want als dan de verzoeking op ons afkomt, missen we de kracht om staande te blijven en gaan we door de knieën.

Als je het vanuit traditie doet, hou je het niet vol, maar als je het vanuit je hart doet dan is het niet moeilijk want als het goed is wil je je leven inrichten naar Gods wil. Daniël deed het vanuit zijn hart. (Dan. 1:19).

Wat zijn nu de gevolgen van dit voornemen van Daniël en zijn vrienden? Want hier blijkt duidelijk dat wie de kant van God mag kiezen, alleen komt te staan. Misschien ervaar jij dat ook wel. Ds. Van Ruitenburg schreef hierover ergens: “Het contact met je vrienden is vaak niet meer wat het geweest is. Je voelt afstand. Je staat er maar een beetje bij, je denkt dat er wel belangrijker dingen zijn om over te praten en je begint je een vreemde eend in de bijt te voelen. Soms probeer je een goed gesprek te beginnen, maar niemand schijnt geïnteresseerd.” Toch zorgt de Heere voor Zijn kinderen. Dat zien we ook bij Daniël. In hoofdstuk 1 vers 9 lezen we dat de Heere Daniël genade gaf in de ogen van Aspenaz. De Heere is een Helper in nood. Hij bewaart Daniël niet voor Babel maar wel in Babel. God zorgt ervoor dat hen wordt toegestaan alleen te eten van het gezaaide. En de Heere biedt er vervolgens Zijn zegen over, want de vier jongens komen er duidelijk gezonder en sterker uit dan de anderen die gegeten hebben van de maaltijden van de koning. De Heere doet nog meer: hij geeft aan de vier wetenschap en verstand en wijsheid. Daniël krijgt bovendien verstand om gezichten en dromen uit te leggen (vers 17). We zien in het eerste hoofdstuk dat de Heere regeert. Zo zie je dat de Heere zorgt voor Zijn volk!

Geloof

Het tweede thema dat ik wil bespreken is “het geloof”.

Hebreeën 11:1 omschrijft het geloof als volgt: Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet.”

De kanttekeningen leggen deze tekst als volgt uit:

Bij vaste grond staat: 1 Of: een vast vertrouwen, dat is, hetgeen doet bestaan, of vast en als tegenwoordig staan de dingen die van God in Christus beloofd zijn, en die derhalve door de hoop worden verwacht; hetwelk niet alleen geschiedt door een toestemming van Gods beloften in ons verstand, maar ook door een vertrouwen op dezelve in onzen wil. Zie Rom. 4:18, enz. Hebr. 3:14. Gr. hypostasis , dat is, zelfstandigheid, van welk woord zie ook 2 Kor. 9:4; 11:17.

Bij een bewijs leggen de kanttekeningen uit: 2 Of: overtuiging; want het geloof ziende op Gods openbaring en belofte, overtuigt en verzekert het hart des mensen veel sterker van de waarheid der zaak, dan enig ander bewijs uit de natuurlijke rede voortgebracht.

“Zaken die men niet ziet”. Wat wordt daarmee bedoeld? De kanttekeningen zeggen: 3 Dat is, zelfs die door natuurlijke zinnen of rede door ons niet worden begrepen. Of: die niet tegenwoordig zijn voor onze ogen. Want hoewel de dingen die gezien worden, ook wel geloofd worden, gelijk Christus tot Thomas spreekt, Joh. 20:29, nochtans is dit eigenlijk niet het Goddelijk geloof, dat in ons door den Heiligen Geest wordt gewrocht, hetwelk alleen op Gods belofte of openbaring ziet, hetzij de dingen nu verleden, tegenwoordig, of toekomende zijn; gelijk uit de voorbeelden die Paulus voorbrengt, zal blijken.1 Of: een vast vertrouwen , dat is, hetgeen doet bestaan, of vast en als tegenwoordig staan de dingen die van God in Christus beloofd zijn, en die derhalve door de hoop worden verwacht; hetwelk niet alleen geschiedt door een toestemming van Gods beloften in ons verstand, maar ook door een vertrouwen op dezelve in onzen wil. Zie Rom. 4:18, enz. Hebr. 3:14. Gr. hypostasis , dat is, zelfstandigheid , van welk woord zie ook 2 Kor. 9:4; 11:17.

2 Of: overtuiging ; want het geloof ziende op Gods openbaring en belofte, overtuigt en verzekert het hart des mensen veel sterker van de waarheid der zaak, dan enig ander bewijs uit de natuurlijke rede voortgebracht.

3 Dat is, zelfs die door natuurlijke zinnen of rede door ons niet worden begrepen. Of: die niet tegenwoordig zijn voor onze ogen. Want hoewel de dingen die gezien worden, ook wel geloofd worden, gelijk Christus tot Thomas spreekt, Joh. 20:29, nochtans is dit eigenlijk niet het Goddelijk geloof, dat in ons door den Heiligen Geest wordt gewrocht, hetwelk alleen op Gods belofte of openbaring ziet, hetzij de dingen nu verleden, tegenwoordig, of toekomende zijn; gelijk uit de voorbeelden die Paulus voorbrengt, zal blijken.1 Of: een vast vertrouwen , dat is, hetgeen doet bestaan, of vast en als tegenwoordig staan de dingen die van God in Christus beloofd zijn, en die derhalve door de hoop worden verwacht; hetwelk niet alleen geschiedt door een toestemming van Gods beloften in ons verstand, maar ook door een vertrouwen op dezelve in onzen wil. Zie Rom. 4:18, enz. Hebr. 3:14. Gr. hypostasis , dat is, zelfstandigheid , van welk woord zie ook 2 Kor. 9:4; 11:17.

2 Of: overtuiging ; want het geloof ziende op Gods openbaring en belofte, overtuigt en verzekert het hart des mensen veel sterker van de waarheid der zaak, dan enig ander bewijs uit de natuurlijke rede voortgebracht.

3 Dat is, zelfs die door natuurlijke zinnen of rede door ons niet worden begrepen. Of: die niet tegenwoordig zijn voor onze ogen. Want hoewel de dingen die gezien worden, ook wel geloofd worden, gelijk Christus tot Thomas spreekt, Joh. 20:29, nochtans is dit eigenlijk niet het Goddelijk geloof, dat in ons door den Heiligen Geest wordt gewrocht, hetwelk alleen op Gods belofte of openbaring ziet, hetzij de dingen nu verleden, tegenwoordig, of toekomende zijn; gelijk uit de voorbeelden die Paulus voorbrengt, zal blijken.

Ook de Heidelberger Catechismus legt uit wat een waar geloof is. In zondag 7 vraag en antwoord 21 kunnen we lezen:

21. Vr. Wat is een waar geloof?

Antw. Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd wat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft (a), maar ook een vast vertrouwen (b), hetwelk de Heilige Geest (c) door het Evangelie in mijn hart werkt (d), dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid (e) van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus wil (f).

Het geloof wordt ook wel omschreven als een kennen, toestemmen en vertrouwen.

Ik denk dat we van Daniël kunnen leren dat hij uit het geloof leefde. Het Woord van God was voor hem als een kompas voor zijn leven.

En Daniël is ons ook een groot voorbeeld als het gaat om het volharden in het geloof. Al werd het er voor hem niet makkelijker op tijdens zijn ballingschap in Babel, hij bleef volharden in het geloof. Laat het voor ons een les zijn en laten we de woorden uit Johannes 15:4 opvolgen waarin staat:

4 Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft, alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.

Laten we blijven bij het ware geloof en laten we toch geen water bij de wijn doen.

Vertrouwen en afhankelijkheid

Het derde punt, dat eigenlijk heel nauw samenhangt met het tweede punt is “vertrouwen”.

Uit de geschiedenissen van Daniël komt duidelijk naar voren dat Daniël op de Heere vertrouwde. Daniël en z’n vrienden vertrouwden erop dat de Heere het eten, al was het veel minder dan dat de rest kreeg, zou zegenen. (Daniël 1)

Ook vertrouwde Daniël erop dat God hem de droom van koning Nebukadnezar zou openbaren, zodat niet alle wijzen gedood zouden worden. Hij wist dat er een God in de hemel is, Die verborgenheden openbaart. Daniël kent de Heere en vertrouwt op de Heere. Hij is ervan overtuigd dat God hem niet zal beschamen. (Daniël 2)

Wat vertrouwen wij toch vaak op mensen. Laten wij net als Daniël ons vertrouwen op de Heere stellen. Want: Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen dan op den mens te vertrouwen. (Psalm 118:8)

Standvastig en kleur bekennen. Het trouw blijven van Daniël aan God.

In het dal Dura, een eindje buiten de stad Babel staat een indrukwekkend beeld; dertig meter hoog en drie meter breed. In zijn droom had Nebukadnezar een beeld gezien, waarvan hij het gouden hoofd was (hoofdstuk 2). Ondanks de waarschuwing die de Heere hem hiermee geeft, laat hij een beeld maken dat helemaal van goud is. Dat beeld stelt de macht van de staat van Babel voor. En die macht is in feite de macht van de alleenheerser, van Nebukadnezar zelf.

Het beeld moet feestelijk worden ingewijd. Alle hoge staatsambtenaren, uit alle door Babel overwonnen volken, moeten aanwezig zijn. Zij móeten het beeld hulde brengen. Iedereen zal buigen voor het beeld van Nebukadnezar. Een groot aantal muzikanten zal zorgen voor een passende omlijsting. Om eventuele tegendraadse mensen af te schrikken wordt er een vurige oven naast het beeld geïnstalleerd. Zo gaat dat bij de gouden beelden van de wereld. Als je niet buigt, word je uitgesloten, geminacht, vervolgd. In het Koninkrijk van God gelden echter andere wetten. De Heere dwingt mensen niet tot Zijn dienst. Hij maakt hen, hoe onwillig ze ook zijn, van harte gewillig om voor Hem te buigen en Hem te dienen (Psalm 110:3).

De drie vrienden Hananja, Misaël en Azarja vrezen de Heere. Ze mogen zichzelf aan Hem toevertrouwen. Ze buigen niet voor het beeld. Ook al weten ze dat hen dan de vurige oven wacht. Het staat voor hen niet bij voorbaat vast dat ze uit die oven verlost zullen worden. Maar hoe het ook zij: beter Nebukadnezar tegen dan God tegen. Wat beschamend voor ons. Wat vinden wij de reactie van mensen vaak belangrijker dan wat God ervan vindt. Toch is de houding van deze drie vrienden van Daniël een oproep voor ons om toch kleur te bekennen in dit leven. Om aan de buitenwereld te laten zien voor Wie je leeft en een oproep om niet mee te doen met de wereld. Ook als je je goede naam daardoor verliest? De drie vrienden van Daniël hadden er zelfs hun leven voor over. Toch zijn ze in de vurige oven wonderlijk gespaard. De mannen, die de drie jongens in de oven moesten werpen, vielen dood neer door de enorme hitte. Maar de drie vrienden werden bewaard. Een engel beschermde hen. En zo werd ook vervuld wat in Jesaja 43: 2b staat: “Wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken, want Ik ben de Heere uw God.”

De vrienden van Daniël blijven bij hun besluit om alleen voor God te buigen en niet voor een beeld van goud. Nebukadnezar gaf hen nog een kans. Speciaal liet hij de muziek nog een keer spelen. Maar ze bleven staan. Zo moeten wij ook standvastig blijven in ons besluit om God te dienen. Laat je toch niet overhalen door je vrienden.

Voor wie buigen wij? Voor een beeld van goud, om in deze wereld ook mee te tellen en mee te doen? Of buig je, net als Hananja, Misaël en Azarja voor de Heere? Dan verkies je liever kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde. Dan is de versmaadheid van Christus je meer rijkdom dan de schatten van Babel, want je mag zien op de vergelding des loons (Hebreeën 11: 25 en 26).

Gebed

Uit de geschiedenissen van Daniël blijkt dat het gebed voor hem van heel veel waarde was. Hij kon geen dag zonder gebed. En door middel van het gebed vroeg hij de Heere om hulp. Zo bad Daniël de Heere om uitleg van de droom. En de Heere gaf hem deze uitleg door middel van een droom.

Maar satan probeert er alles aan te doen om het gebedsleven te verhinderen. Dat blijkt wel uit de volgende geschiedenis.

Het rijk van Babel is vergaan. Maar ook in het nieuwe rijk neemt Daniël een belangrijke plaats in. Als heel vanzelfsprekend is dit vermeld in Daniël 6: 3. Daniël is opgemerkt vanwege de genade die in hem is. Daniëls rechtschapenheid is de koning opgevallen. De koning denkt er zelfs over om hem promotie te laten maken en hem te stellen over het gehele koninkrijk; omdat in hem een voortreffelijker geest woont (Daniël 6:4). De koning vertrouwt deze oude staatsman in wie door en door de Geest des Heeren woont. Daniël zal corrupte praktijken van stadhouders en vorsten niet door de vingers zien. Hij zal ervoor zorgen dat de koning geen schade lijdt (Daniël 6:3).

De stadhouders en vorsten, die zich toch al gedwarsboomd zien in hun onzuivere praktijken, zijn verschrikkelijk jaloers en haten Daniël. Ze proberen hem in diskrediet te brengen bij de koning. Het lukt hen echter niet om Daniël te beschuldigen “vanwege het koninkrijk” (Daniël 6:5). Hij bleek zijn werk zeer nauwgezet en getrouw te verrichten. Ze zullen hem moeten treffen op een ander vlak; in de relatie met God. Zo maakt de satan van deze mensen gebruik om Daniël te verzoeken en zijn gebedsleven te verhinderen. Satan wil er alles aan doen om het gebed te verhinderen. Het gebed voor Jeruzalem, het gebed voor de terugkeer van het Joodse volk naar Kanaän. Satan wil het liefst dat het Joodse volk in ballingschap blijft wonen want dan zal de Messias niet geboren kunnen worden en heeft de grote tegenstander gewonnen.

De stadhouders en vorsten bedenken een plan. Ze doen net alsof ze de eer van de koning op het oog hebben en stellen voor een wet uit te vaardigen die waarborgt dat alleen de koning voor een periode van dertig dagen goddelijke eer toegebracht mag worden. En Darius loopt in de val. Hij stemt ermee in.

Deze wet mag niet herroepen worden. Het is immers een Wet der Meden en Perzen. De stadhouders, de vorsten en de satan schijnen te hebben gezegevierd. Maar de aanval op het gebed wordt afgeslagen. Satan zal het ook nu niet winnen. Deze grote tegenstander is ook de eeuwige verliezer. Gods beloften zullen vervuld worden, ook door het onmogelijke heen. Als Daniël hoort dat de wet van kracht is geworden gaat hij gelijk naar zijn bidvertrek. In Daniël 6:11 lezen we: “Toen nu Daniël verstond dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan) en hij knielde drie tijden ’s daags op zijn knieën en hij bad en hij deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.” Hij kon niet één dag zonder gebed. Wij wel? Daniël kan het zoeken van het aangezicht van zijn God niet één keer nalaten. Het gebed is voor hem inderdaad de ademtocht van de ziel.

Als de vijanden van Daniël zien dat hij bidt, gaan ze gelijk naar de koning en vertellen hem dat Daniël de wet heeft overtreden. Nu begrijpt de koning dat het een list was. Hij is bedroefd, maar komt er niet meer onderuit. Daniël wordt in de leeuwenkuil geworpen.

Wat voor waarde heeft het gebed voor ons? Kunnen wij ook geen dag zonder gebed?

Ik las ergens een stukje over het bidden van Paulus. “Paulus had vaak gebeden, maar nog nooit zo als na zijn ontmoeting met de Heere. Nu God hem was tegengekomen, bad hij echt. Eerst bad hij omdat het hoorde, omdat het hem een goed gevoel gaf, maar nu was God werkelijkheid geworden. Nooit eerder had hij zoveel eerbied voor Gods majesteit gehad en nooit was bidden zo urgent geweest. Hij voelde zich onnoemelijk klein en diep schuldig. Het was nieuw voor hem om met zijn hele hart te bidden en zijn ziel voor God uit te gieten. Zijn bidden was smeken, bedelen en pleiten geworden. Nu hij begreep wat hij God had aangedaan, was hij bang verloren te moeten gaan, smeekte hij om genade en hunkerde naar vergeving.”

Ondanks de uitgevaardigde wet ging Daniël door met bidden. Want hij was Gode meer gehoorzaam dan de mensen.

En Daniël wordt in de leeuwenkuil beschermd. Daniël weet zich ook onder de bescherming des Allerhoogsten. Dit blijkt uit Daniel 6:23. Er staat: “Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning, tegen u geen misdaad gedaan.”

Kanttekening 58 geeft aan “dat Daniël hier zijn gerechtigheid niet roemt, maar dat hij geeft te kennen dat hem God verlost heeft, om te doen blijken dat die godsdienst Hem behaagde, dien hij (ook met verlies van zijn leven) wilde behouden.”

Ook in Daniël 9 kunnen we lezen van Daniëls gebed. Daniël doet op dat moment Bijbelstudie in de profetieën van Jeremia. Het lezen van deze profetie is aanleiding tot een krachtig smeekgebed. Daniël leest in de profetie van Jeremia namelijk dat Jeruzalem 70 jaar verwoest zal zijn; daarna zal de stad herbouwd worden (zie bijvoorbeeld Jeremia 25:11 en 12). Als Daniël dit leest, zijn er al 69 jaar verstreken sinds de wegvoering van Jeruzalem. Bij de ontdekking van deze belofte van God zoekt Daniël het aangezicht van de Heere in het gebed. Is dat niet vreemd?

Gelooft Daniël dan niet dat God een waarmaker is van Zijn Woord, dat Hij zal doen wat Hij beloofd heeft? Zeer zeker gelooft Hij dat, maar Daniël gaat niet zitten afwachten tot het werkelijk gebeuren zal. Integendeel, hij wordt werkzaam met Gods beloften. We krijgen hier een les in het gelovig omgaan met een belofte die God heeft toegezegd. Psalm 119:25 (berijmd) zingt ervan als het gaat om Gods toezeggingen: dit leert mijn ziel u achteraan te kleven!

Gods beloften maken het gebed niet overbodig. De Heere vervult ze juist in de weg van ons bidden. Daniël weet het: de vervulling van de belofte is niet zijn zaak, maar Gods zaak. Hij beseft dat de vervulling van de belofte geen recht is, maar genade. De Heere is het niet aan hem en aan het volk verplicht. Wat is dan de conclusie? Is het dan zover met het volk gekomen dat Gods beloftenissen haat vervulling verder zullen missen? (Psalm 77) Nee, Daniel gaat smeken, niet op grond van zijn gerechtigheden en die van het volk, maar op grond van Gods barmhartigheden die groot zijn (Dan. 9:17 en verder). Dit is iets heel anders dan veel van onze gebeden. Hoe vaak willen wij God voor ons karretje spannen? Maar echt bidden is als we alles van onszelf als pleitgrond hebben afgeschreven en niets overhouden dan God en Zijn barmhartigheid. Juist als wij van onszelf niets meer te verwachten hebben, is er bij God raad!

Terwijl Daniël nog bidt, krijgt hij antwoord. Daniël verlangde naar de wederopbouw van Jeruzalem en bad er vurig om. Wat kunnen we er veel van leren om ook te bidden om de eenheid van de kerk.

Geloofsbeproeving

Uit het voorgaande blijkt dat Daniëls geloof sterk beproefd werd. Beproeving heeft een doel. Geloof moet namelijk niet een luie stoel worden. Geloof moet leven en Gods kind moet wakker gehouden worden. Anders wordt geloof futloos. Geloof moet blijken in het leven van elke dag en met name als het niet zo gemakkelijk is. Als je midden in de problemen zit, is geloven ook voor Gods kinderen niet eenvoudig, maar het is een zegen als de kerk God overhoudt. Jakobus 1:3 luidt: “Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.” De beproeving van het geloof is bedoeld om geduld en onderwerping te leren. Door de beproevingen wordt het geloof sterker, volwassener, krijgt het diepere wortels. Zoals het menselijk lichaam beweging nodig heeft om gezond te blijven, moet ook het geloof in beweging zijn. Of, om met een ander voorbeeld te spreken: stilstaand water gaat stinken. Het mag zelfs tot vreugde stemmen als God het geloof beproeft (Jakobus 1:2). Het stelt in de gelegenheid om een kruis geduldig en gelovig te dragen.

Daniëls geloof werd beproefd doordat zijn omgang met de Heere sterk op de proef gesteld werd. Toch blijft Daniël in deze periode zijn toevlucht zoeken in het Woord van God, dat vast en zeker is. Dit kunnen we lezen in Daniël 9.

Liefde

Uit Daniëls leven blijkt duidelijk de liefde tot de Heere. Omdat Hij de Heere liefheeft, wil Hij naar Zijn geboden leven en wil Hij God keer op keer ontmoeten. Daar is het gebedsleven van Daniël een duidelijk bewijs van.

In 1 Korinthe 13: 1 en 2 staat: Al ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.
 En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap, en al ware het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.”

De liefde kan dus niet gemist worden. Geloof verzet bergen, maar zonder de liefde zijn we niets. We kunnen jaren Gods Woord hebben bestudeerd en veel weten. Misschien weten we wel exact hoe God een mens bekeert. Maar wat weten we van de liefde? Liefde is een zaak van het hart, liefde voel je. Geloof werkt door de liefde. Liefde en geloof zijn verschillende zaken en we kunnen bijvoorbeeld niet zeggen dat we gerechtvaardigd worden door de liefde. Maar de liefde is onmisbaar in het geloven.

Als we iemand liefhebben is de ander ons dierbaar. Ons hart wordt warm als we aan de ander denken. Niet altijd even sterk, maar telkens opnieuw voelen we dat we innerlijk aan de ander zijn verbonden. De ander trekt ons op de een of andere manier aan. We willen hem of haar opnieuw ontmoeten, ermee praten, ermee omgaan. Zo worden God en Christus in het geloof dierbaar. We gaan naar God hongeren en dorsten. We verlangen ernaar om Zijn stem te horen. De verberging van Gods aangezicht wordt bitter als de dood. Dat is liefde. Deze liefde zal eeuwig blijven.

Geloof – in de zin zoals die op de aarde wordt beoefend – zal in de hemel niet meer nodig zijn en de hoop wordt vervuld. Maar de liefde blijft. De liefde vergaat nimmermeer.

En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde (1Korinthe 13:3)

Gods eer op het oog

Daniël had Gods eer op het oog. Hoewel hij erg veel verstand had en erg wijs was, pronkte hij er niet mee. Hij gaf God de eer. Daniël wijst koning Nebukadnezar bij de uitleg van de droom op God. Dit blijkt uit Daniël 2: 30:

30 Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door de wijsheid die in mij zij boven alle levenden, maar daarom opdat men den koning de uitlegging zou bekendmaken, en opdat gij uws harten gedachten zoudt weten.

Kanttekening 80 zegt hierbij:

80 Daniël wil geenszins hebben, dat men hem die eer zou geven, alsof hij door zijn wijsheid den koning zijn droom zou kunnen openbaren; maar hij wil dat men daarvan al de eer Gode zal toeschrijven.

Daniel heeft Gods eer op het oog. Hoe kunnen wij in ons leven Gods eer op het oog hebben? Kan dat in je dagelijks leven, je werk, je studie?

 

De Heere regeert/overwint

Een troost die we kunnen krijgen uit het Bijbelboek Daniël is dat de Heere regeert.

In de droom (Daniël 2) wordt gesproken van een steen die zonder mensenhanden afgehouwen wordt uit een berg, naar beneden rolt en het beeld vermaalt en verwoest. Hierbij moeten we denken aan de Heere Jezus Christus en Zijn eeuwig Koninkrijk. Dit Koninkrijk is niet vergankelijk maar duurt zelfs tot in eeuwigheid. Het vervult ten slotte de hele aarde. Zo wordt het rijk van de wereld vernietigd door het rijk van Christus. Dat rijk openbaart zich nu al in de harten van Gods kinderen, in de prediking van het Woord en het werk van de Geest. Maar we zien het vaak niet en het lijkt soms alsof het rijk van de duisternis gaat winnen. Toch komt het moment dat de Koning van dat Rijk zal verschijnen in majesteit en heerlijkheid zodat alle vorsten zich zullen buigen en voor Hem neer zullen vallen.

Nebukadnezar dacht dat wie de jeugd zou hebben ook de toekomst in zijn hand hield. Maar hij wist niet dat door alles heen de Heere alle dingen leidde naar Zijn raad. En dat er daarom jonge mensen waren die, ondanks alle moeilijke omstandigheden op de Heere bleven vertrouwen. Dat er jonge mensen waren die uit genade staande bleven in de verzoeking. Ook op ons komen dagelijks verzoekingen van de satan. In je studie, in je werk, in je vrijetijdsbesteding. Blijf bij al deze verzoekingen op de Heere vertrouwen. Want Hij beschaamt niet, allen die op Hem hopen!